Koning Willem Alexander
 vrije valkeniers vereniging

Start
Links         

 

Voor actuele informatie surf naar Valkerij Vereniging

 

De Valkerij is meer dan een sportieve hobby; het is een levensstijl

Volgens de algemeen geldende mening binnen de Nederlandse valkerij mag iemand zich pas met recht valkenier noemen als hij in staat is een vogel zodanig te trainen dat deze in de conditie is en in staat is om prooi te bemachtigen. Mist de jachtvogel zijn prooi, dan dient deze onmiddellijk terug te keren naar de valkenier.

Heb ik een valkeniersakte nodig om de valkerij te bedrijven?

Nee, dit is alleen noodzakelijk als men in Nederland wil jagen met roofvogels. De praktijk leert dat sommige reacreant valkeniers dat helemaal niet willen. De roofvogel vrij laten vliegen en genieten van de omgang met hun vogel is het doel. 

De valkerij is meer dan het jagen met roofvogels.

Het omvat alles wat met de jacht te maken heeft, dus ook het maken van gebruiksvoorwerpen. De valkerij is een heel oude, maar toch nog onbekende bezigheid. De valkerij gebeurt op twee manieren afhankelijk van de wijze van vliegen en jagen. Het uitgangspunt daarbij is de eigen stijl van jagen van de vogels in de vrije natuur.

Valkeniers werken met wilde dieren die zich niet laten domineren.

Roofvogels zijn niet gevoelig voor commanderen of straffen. Geduld en doorzettingsvermogen zijn nodig en alleen op basis van vertrouwen en beloning zal de roofvogel zich volledig ontplooien. Gedurende de training zal met name de techniek van positive reinforcement centraal staan.

Waar is de vereniging gevestigd?

In Berkel en Rodenrijs bevindt zich het verenigingslokaal.

Aanmelden nieuwe leden of informatie:

Klik hier voor Email aan het secretariaat:


De vrije valkeniers verenigingsleden Koning Willem Alexander beoefenen recreatief de moderne valkerij, valkenier, roofvogel school

 

 

De valkerij is een passie die de jacht ontstijgt.

 Hoewel dit niet het eerste is waaraan je zou denken bij de definitie, die de aard van het valkenieren
 omschrijft.

 Volgens de algemeen geldende mening binnen de Nederlandse valkerij mag iemand zich pas met
 recht valkenier noemen als hij/zij in staat is een roofvogel zodanig te trainen dat deze in de conditie is en
 daardoor in staat is om prooi te bemachtigen.

  Er zijn een aantal misvattingen die een verkeerd beeld geven van dit oude ambacht;

  •      Roofvogels komen naar de hand terug omdat ze hongerig worden gehouden. Hierin
         onderscheidt zich de ware valkerij. Een getrainde roofvogel vliegt op een zo hoog mogelijk
         gewicht en heeft appél. Ook als er geen beloning op de hand wordt getoond zal de vogel
         komen en op de handschoen landen
  •      Roofvogels worden uit gehorst (nest = horst uithalen in het wild). Onjuist, de huidige
         kweekresultaten zijn zodanig dat dit al lang niet meer noodzakelijk is.
  •      Roofvogels aan een touwtje zijn zielig. Zoals bij ieder roofdier gaat ook de roofvogel in de
         economie stand als deze heeft gegeten. Zo min mogelijk energie verspillen is het motto, daarom
         zitten ze stil op het spitshuis. Dat ze vastzitten is om te voorkomen dat ze op plaatsen gaan zitten
         die daarvoor niet zijn voorzien. Ook voorkom je hiermee dat ze hun buurman een kopje kleiner
         maken, roofvogels zijn immers solitair en dulden geen ander in hun nabijheid.

  

De jacht met roofvogels

Laten we dit nu niet de ‘valkenjacht’ noemen; we jagen met en niet op roofvogels.

Jagen met roofvogels noemen wij de ecologische jacht. Dit omdat een roofvogel al bij de eerste vleugelslag ziet of een prooi gezond is of gebreken vertoond. Energie verspillen aan een gezonde prooi past niet in de theorie van ROI (return on investment). Daarom discrimineert een roofvogel zoals een geweerjager dit nooit kan. Gevolg is een gezonde wild populatie; wij zien bijvoorbeeld minder ziektes onder konijnen in een veld dat ook door de valkeniers wordt bejaagd. Dat het tableau (hoeveelheid geoogst wild) veel kleiner is dan bij de geweerjagers is niet van belang. Bij valkeniers telt de jachtvlucht en niet het resultaat.

 

  Tot de Franse revolutie bestond de plezierjacht hoofdzakelijk uit twee jachtmethodes te weten;

  •      de drukjacht, par-force met paarden en honden in Frankrijk de venerie genoemd waaruit in
         Nederland door wetgeving (verbod te jagen met honden op de vos) de slipjacht is ontstaan
  •      de jacht met roofvogels

  Deze laatste jachtvorm onderscheid zich in:  

  •      De hoge vlucht. Deze jacht met valken was voorbehouden aan de adel en hogere klasse. Niet de
         opbrengst maar het weidespel was hier van belang. Met de valken jaagde men o.a. op kraaien,
         wouwen, eend, haas en bovenal reiger.
  •      De lage vlucht. De havikachtige was de keukenvogel en daarom bijzonder geschikt voor de
         gewone man. Men jaagde (tot gruwel van de adel vaak met heel veel herrie) o.a. op konijn, haas,
         fazant en eend.

  Voor beide vormen was er geen beperking in het gebruik van roofvogel soorten.
  Bij de hoge vlucht was, naast de Slechtvalk, ondermeer de Saker en de Geervalk populair. Vooral met de
  Geervalk uit het hoge noorden, die bijzonder kostbaar was, werd op haas gejaagd.
  De valk werd getraind samen met een kleine  windhond die het haas dood moest bijten zodra de valk
  deze gebonden had. Verder zien we voor  vrouwelijke valkeniers vaak het Smelleken waarmee op
  veldleeuweriken werd gejaagd. 
  Voor de lage vlucht gebruikte (vooral) het volk de havik en sperwer (duivenklamper).

  

Het valkerij ambacht

Het vergaren van de eeuwenoude kennis gaat ook tegenwoordig nog volgens de ambachtelijke methode; van meester op gezel. Dit kenmerkt de valkerij omdat deze methode zo vormend is voor de leerling en omdat er een arbitraire werking van uitgaat. Alleen als valkenieren een passie is wordt men daadwerkelijk valkenier. Omdat er zoveel te leren valt en de roofvogels ons blijven verbazen en boeien ben je pas valkenier als het gras op je buik groeit.

 

 

  De valkerij was vroeger bij uitstek commercieel en zeer winstgevend. Sinds kort heeft dit bijna uitgestorven
  beroep zijn commerciële positie weer terug veroverd. De huidige commerciële valkeniers zijn van groot
  belang voor de valkerij als aanjagers van vele vernieuwingen die het dierenwelzijn en de techniek van
  roofvogeltraining binnen de valkerij bevorderen. De beroepsvalkeniers blazen dit eeuwenoude ambacht
  weer nieuw leven in.

 

  Geschiedenis

  Een van de eerste tastbare bewijzen waaruit blijkt dat mensen roofvogels gebruiken bij de jacht komt van
  een Syrisch tablet uit 700 voor christus. Van iets later datum vinden we ook aanwijzingen uit China en
  Japan. Geschriften uit Perzië en Arabië vertellen al over een koning die zo onder de indruk was van een
  jagende valk dat hij deze liet invangen om er mee te kunnen gaan jagen.

  Door toenemende handelsbetrekkingen tussen Arabië, Europa en het Verre Oosten verspreide
  zich de interesse in de valkerij. Aangenomen wordt dat rond 400 na christus de valkerij het Middellandse
  zeegebied bereikte. Germaanse stammen bedreven de valkerij in de 6de eeuw na christus en vanaf het
  jaar 875 wordt de valkerij bedreven in heel West Europa en Engeland.

  De belangrijkste valkerij periode lag tussen 500 en 1600 na christus. Het werd een goed georganiseerde
  en bijzonder populaire sport voor alle sociale lagen van de bevolking. In West Europa was het meer dan
  alleen een sport voor de adel of een noodzaak om vlees op tafel te verkrijgen. Het werd een rage, bijna te
  vergelijken met de tulpengekte uit die periode. In de middeleeuwen was de valkerij statussymbool.

 

De adel

Het meest populair was de valkerij onder de hogere sociale klasse en daar hoorde natuurlijk ook de kerk onder. Paus Leo X was een fanatieke valkenier en ging bijzonder vaak op jacht expeditie met zijn valken. In sommige religieuze orden waren de valken zelfs onderdeel van de dienst en dat ging zover dat men eigenlijk nooit nonnen zag zonder roofvogel op de hand dit tot grote ergernis van de bisschoppen die vonden dat er geen aandacht meer was voor de heilige mis.

  Frederick II of Hohenstaufen, Heilig Romaanse Keizer, Koning van Sicilië en Jeruzalem deed er 30 jaar over
  om zijn boek ‘De Arte Venandi cum Avibus’ (de wijze van jagen met vogels) te schrijven en dit geldt dan
  ook als het eerste wetenschappelijk ornithologisch werk. Zijn obsessie met de valkerij was zo groot dat hij
  ooit een veldslag heeft verloren omdat hij meende te moeten gaan jagen met zijn valken. Zijn kruistocht in
  1228 leverde hem een aantal ervaren Arabische en Syrische valkeniers op die veel hebben bijgedragen tot
  zijn en later onze kennis over de valkerij.

  Valken waren zo waardevol dat ze bij onderhandelingen soms als betalingsmiddel werden gebruikt.
  De waarde van een valk oversteeg vaak zijn gewicht in goud. Aan het eind van de 14de eeuw nam
  Ottoman Sultan Beyazid tijdens een bloedige campagne de zoon van Philip de Moedige, Graaf van
  Bourgondië gevangen. Hij wees een losgeld van 200.000 gouden dukaten van de hand en liet zijn
  gevangene pas vrij toen hem twaalf witte Geervalken werd aangeboden.

  Doordat deze vogels zo kostbaar waren werden criminelen, die de euvele moed hadden er een te stelen,
  zwaar gestraft. Uithorsten van een valk uit het wild leverde het uitsteken van beide ogen op. Stelen van
  een de witte Geervalk werd nog zwaarder gestraft. Het gewicht van de vogel werd aan vlees uit de rug
  van de dief gesneden en naar het schijnt aan de valk gevoerd. Hier komt de Engelse uitdrukking ‘a pound
  of flesh’ vandaan, wij zouden zeggen; een rib uit je lijf.

 

Commercie

Op een gegeven moment deed iedereen aan de valkerij; van slager tot koning. De gewone man gebruikte vooral de havik en de sperwer. Dit zijn de zogenaamde keukenvogels die vlees op tafel brachten. De adel daarentegen ging jagen voor het plezier en gebruikte hiervoor de valken zoals Geer-, Saker- en Slechtvalk.

De roofvogels werden voornamelijk ingevangen uit het wild. De arme zandboeren op de Leender en Strabrechtse heide hadden het geluk dat de trek van de slechtvalk over deze gebieden ging. Deze tobbers zaten in hun plaggenhut uren doodstil voor zich uit te staren en maakten zich zorgen over de dag van morgen. Het werk dat zij deden noemen we tobben. Dit was in de tijd toen 't Leenderbos nog een onafzienbaar heidegebied was.

  Valkenswaard en in niet mindere mate Leenderstrijp stonden bekend om hun valkenvangers.
  Op hun trektocht vanuit Scandinavië naar het zuiden kwam de stootvogels over dit heidegebied gevlogen.
  Het was een ware kunst om de valken levend (let wel) vanuit een tobhut (schuilhut van plaggen) te
  vangen. De aldus gevangen roofvogels werden afgericht (getraind, zeeg gemaakt) om aan de hoven van
  de toenmalige vorsten voor vertier te zorgen. Valkeniers waren dan ook welgestelde lieden.
  In Valkenswaard geeft een museum nabij de Markt uitgebreide informatie, in woord en beeld, over de
  valkerij. Op de hei nabij de Achelse Kluis is op een oorspronkelijke plek een tobhut nagebouwd.

  Zo ontwikkelde zich in de Zuidelijke Nederlanden de valkerij met als middelpunt Valkenswaard en
  Arendonk. De techniek van het invangen werd van vader op zoon overgedragen. Er ontstond een
  levendige handel in valken, materialen en training van roofvogels waardoor Valkenswaard een rijke
  gemeente werd. In de herfst kwamen afgezanten van de vorstenhoven uit heel Europa in Valkenswaard
  bijeen voor de valkerij beurs waar roofvogels en materialen werden verhandeld. Een van de bekendste
  namen uit de valkerij handel was die van de familie Mollen.

Deze naam en die van Jan Bots zien we ook terug bij de Loo Hawking Club (Koninklijk Nederlandsch Valkeniers-Gezelschap). Dit was een vereniging opgericht door de Europese adel die van koning Willem de toestemming hadden te jagen met de valken op het Loo. Hier was namelijk een grote kolonie reigers waarop met de Slechtvalk werd gejaagd. Deze plezierjacht had niet altijd de intentie de prooi te doden. We weten dat soms gevangen reigers werden geringd en enige mate wijzer geworden waren deze geringde reigers steeds moeilijker te bejagen. Als een valk een reiger met veel ringen op de grond wist te brengen was het dit een roofvogel van onschatbare waarde en de valkenier die de vogel vloog verdiende hierdoor veel respect onder zijn jachtgenoten.

  Niet alle bejaagde reigers werden geringd losgelaten. Vele van hen eindigden de dag als culinaire
  hoogstandjes op tafel tijdens de jachtdiners.

  De Loo Hawking Club bestond uit twintig Hollandse en twee Engelse betalende leden toen het na
  ongeveer 16 jaar ter ziele ging in 1855 (daarvoor had het aantal Britse leden de overhand met als gevolg
  dat de vereniging al snel overging tot gebruik van de Engelse naam; Loo Hawking Club).
  In het voorstel tot opheffing spreekt men van een zodanige afname van het aantal reigers dat de
   jachtresultaten onbevredigend waren maar ook ontbrak het aan financiële middelen om de
   jachtéquipage te onderhouden.

 

Rangen en standen

In de middeleeuwen was de valkerij een nobele sport en zelfs kunst. Er wordt wel gezegd dat de mens uit de schaduw van de oudheid tevoorschijn kwam met een valk op de hand. De cultuurhistorische waarde voor Europa blijkt ondermeer uit de vele spreekwoorden die betrekking hebben op de valkerij. Ook in andere delen van de wereld stond de valkerij hoog aangeschreven en bleef het tot heden de status behouden zoals dat 3000 jaar geleden was.

Hoewel men zich er natuurlijk niet in alle gevallen aan hield en er onder de verschillende Europese vorstendommen soms een andere indeling werd gevolgd was er een strakke wetgeving die bepaalde welke soort roofvogels bij de verschillende sociale klasse hoorde.

  Hiermee voorkwam men dat de lagere klasse prooien kon bejagen die de adel voor zichzelf wilde
  houden. Vooral van de reigers moest je afblijven, zoniet dan werden er stevige straffen uitgedeeld.

  De hogere adel trainde natuurlijk niet zelf hun roofvogels. Zij hadden daarvoor valkeniers in dienst
  die de roofvogels verzorgden en op conditie brachten zodat ze gereed waren op die momenten dat er
  een bepaalde prooi voor handen was.

 

  Symbiose

  De mens heeft altijd met dieren samengewerkt tijdens de jacht. Zo wordt er door de Chinezen nog
  steeds gevist met aalscholvers en de Spanjaarden en Arabieren jagen op haas met windhonden.
  In Azië was ook de jacht met de cheeta populair. Omdat beide partijen voordeel hebben aan deze
  samenwerking spreken we hierbij van een symbiose tussen mens en dier. Dit voordeel was voor de
  dieren vooral bescherming tegen predatoren, geen noodzaak een territorium met hand en tand te
  moeten verdedigen, dagelijks voldoende kwalitatief hoogwaardig voedsel en natuurlijk medische
  verzorging. Hierdoor worden deze door mensen gehouden wilde dieren vaak 2 tot 3 maal ouder dan
  in de natuur. Het voordeel voor de mens is natuurlijk duidelijk; vers vlees op tafel maar ook een plezierige
  jachtvorm.

 

  Franse revolutie

  Vanaf de Franse revolutie nam de populariteit van de valkerij af. Men ging anders jagen door het gebruik
  van buskruit, er trad ruikverkaveling op waardoor de uitgestrekte jachtgebieden kleiner werden en de
  adel was door de Franse revolutie een ferme tik uitgedeeld waardoor ze minder financiële ruimte hadden
  voor een kostbare sport als de valkerij. Ook nam het aantal in het wild levende roofvogels af omdat er op
  werd gejaagd en de nesten werden vernietigd. Wilde roofvogels werden door de geweerjagers gezien
  als concurrenten omdat beide dezelfde prooien bejagen. Zelf in de 21ste eeuw komen we nog steeds
  deze vreemde hersenkronkels tegen bij een enkele geweerjager.

 

  Moderne valkerij

  De gouden periode van de valkerij in Europa ligt al enige tijd achter ons. In het Midden-Oosten en delen
  van Azië is de sport nog even populair als vroeger. Vooral in het olierijke Midden-Oosten heeft men de
  financiële middelen om een belangrijke aanjager van de valkerij sport te zijn. Er zijn gevallen bekend
  waarbij Saudische valkeniers, in het wild gevangen, valken kochten voor meer dan euro 100.000.
  Door de Arabische lobby heeft de Unesco in 2005 besloten de valkerij op de wereld erfgoed lijst te
  plaatsen.

  In ander delen van de wereld trok de valkerij weer aan in het begin van de vorige eeuw. Sinds de tweede
  wereldoorlog vond er in Amerika een geweldige toename plaats. Daar mogen soorten zoals
  Woestijnhavik en Roodstaartbuizerd nog worden ingevangen uit het wild.

  Deze Amerikaanse roofvogels werden ook steeds populairder in Europa. Vooral de Woestijnhavik
  door zijn robuustheid en flegmatische instelling is momenteel onder de Europese valkeniers een graag
  gebruikte jachtvogel temeer daar de jachtresultaten zeker niet onder doen voor de, als nerveus bekend
  staande, Europese havik.

  Nu wildvang in de hele wereld nagenoeg is verboden hebben kwekers zich gespecialiseerd en behalen
  bijzonder goede resultaten. Ook is er veel vraag ontstaan naar hybride valken in de veronderstelling dat
  hiermee het beste van beide soorten naar boven komt. Hoewel jagen met gekweekte roofvogels niet kan
  worden vergeleken met wildvang roofvogels ontwikkelen ze zich, door de juiste training, toch tot felle
  jagers.

  Naast de jacht met roofvogels zijn er ook een groeiend aantal recreanten die, onder de huidige wetgeving
  (in het bijzonder in Nederland), hebben besloten zich meer toe te leggen op de omgang, training en het
  vrij vliegen van roofvogels zonder ermee te gaan jagen.

  Denk hierbij niet alleen aan de recreant valkeniers maar zeker ook voor de beroepsvalkeniers is er
  veel meer werk dan alleen het bejagen van bv. schade veroorzakende konijnen. Zo zijn er die
  vogeloverlast bestrijding doen op industrie terreinen en stortplaatsen en roofvogeldemonstraties geven
  op evenementen of bij dieren- en themaparken.

  Maar ongeacht de toepassing, voorop staat dat de valkerij voor een ieder die het bedrijft een passie is

Roofvogels

Er zijn in de wereld nogal wat roofvogels en uilen en ze zijn natuurlijk allemaal te trainen. Het aantal soorten vogels dat gebruikt wordt in de valkerij en bij demonstraties is gelukkig te overzien.

Vogels zijn gewervelde dieren en vallen onder de klasse Aves. Zo’n negen duizend species zijn dan verder opgedeeld in ordes die te herkennen zijn aan hun toevoeging zoals bv. –formes. Toch zijn er door DNA onderzoek weer wat twijfels gerezen over de classificatie van sommige vogels. Zo blijkt dat de Falconiformes (valken, haviken, arenden etc.) nauw verwant zijn aan de Ciconiiformes (ooievaars). De ordes zijn onderverdeeld in families. Wil je alles helemaal precies weten kijk dan op de lijst Taxonomie Roofvogels.

Het gebruik van de Latijnse namen is van belang als we kontakten hebben over de landsgrenzen. In Amerika noemt men de Roodstaartbuizerd een Red Hawk. Verwarrend want het is toch een buizerd en geen havik. Kijken we dan naar de Latijnse naam wordt duidelijk dat het inderdaad een Buteo is. Nog een verwarrend voorbeeld is de Chiliarend. De Duitsers gebruiken namen als Aguja of Blaubussard of Blauadler of Kordillerenadler en de Engelsen noemen deze roofvogel black-chested buzzard-eagle of Grey buzzard. Kijk, dan is het fijn te weten dat het een Geranoaetus melanoleucus is zodat we weten over welke roofvogel we het hebben.

In dit hoofdstuk zullen we de meest gangbare roofvogels die door valkeniers en demonstratieteams worden gevlogen bespreken wat natuurlijk niet inhoud dat dit een aanbeveling is. Een avontuurlijke geest beleeft spannende momenten.

In hoofdlijnen verdelen we binnen de valkerij de roofvogels in twee categorieën: de hoge en de lage vlucht. Dit heeft te maken met de wijze van jagen en de soort prooi die ze jagen. De ornithologische benadering geeft een duidelijker beeld van de indeling.

 Taxonomie van roofvogels

 Strigiformes (nachtroofvogels): 2 families

  • Strigidae (123) – oehoe
  • Tytonidae (10) – kerkuil

 Falconiformes (dagroofvogels): 5 families

  • Accipitridae (217) – havikachtigen
  • Cathartidae (7 ) - Amerikaanse gieren
  • Falconidae (60) – valken
  • Pandionidae (1) – visarend
  • Sagittarridae (1) - secretarisvogel

 

Identificatie van roofvogels 

Onder de roofvogels zijn nogal wat rode lijst soorten en daarom heeft de overheid bepaald dat altijd de herkomst van deze dieren moet kunnen worden aangetoond. Nu zijn er verschillende mogelijkheden en ondanks de Europese wetgeving willen de verschillende landen in Europa nog wel eens hiervan afwijken. De ring moet altijd een gesloten pootring zijn. Die kun je alleen maar aanbrengen als de roofvogel nog een kuiken is. Hierdoor bewijs je dat de roofvogel uit kweek en niet uit wildvang (uithorsten van nesten) afkomstig is. Nu kan daarmee natuurlijk ook gefraudeerd worden en daarom zal het DNA profiel steeds belangrijker gaan worden. Daarvoor heb je namelijk het ouderpaar nodig en dat wordt in het wild al een stuk moeilijker.

De microchip is door de jaren zo verbeterd dat er geen reden meer is om een vogel niet te laten chippen. De chip wordt ingebracht aan de zijkant van de borstspier, zeg maar onder de oksel. 

  • Ring
    • De kwaliteit van het  materiaal en de leesbaarheid zijn erg belangrijk
    • Ringen zijn een noodzakelijk kwaad want er is kans op insnoering of de vogel kan zich verwonden als de ring ergens achter blijft hangen
  • Microchip: Dit is veilig met uniek nummer waardoor registratie mogelijk is
  • Tatoeage
  • Podogram: Dit is een foto van de poot dus eigenlijk een vingerafdruk

 

Hoge vlucht

Hieronder bedoelen we alleen de valken (Falconidae). Langvleugelig met donkere ogen en veelal een korte staart. De wijze van jagen is hoog in de lucht op veerwild (duif, kraai maar ook lager patrijs ed.). De term komt uit de Hollandse school want hiermee bedoelde men het jagen op de reiger. Hiervoor stegen de valken erg hoog om boven de reigers te komen zodat zij die naar beneden konden dwingen. De andere jachtvorm met valken is aanwachten, een techniek uit de Engelse school. Hierbij zoekt de valk voldoende hoogte om uit het veld opgejaagde prooien zoals fazant of patrijs door hun duikvlucht te kunnen stoten (met enorme klap raken) zodanig dat daarmee de prooi direct dood is of in ieder geval helemaal de weg kwijt is. Het stoten op de prooi doen de valken met hun talon en soms ook wel met de klauw als een gebalde vuist. Verder worden valken ook van de valkeniershandschoen gevlogen om prooi te achtervolgen zoals bij de jacht op kraaien.

Zoals dat altijd gaat zijn er natuurlijk ook hier weer afwijkingen van de algemene regel. De subarctische Geervalk kan het zich niet veroorloven een al te kieskeurig eter te zijn. In die koude gebieden moet je als valk vooral goed eten en als er even geen veerwild voorhanden is dan zal de Geervalk met gemak jagen op haarwild zoals lemmingen en konijnen.

De valkeniers in de middeleeuwen wisten dit en gebruikte de Geervalk dan ook wel bij de jacht op konijn en haas. Hierbij werkte de geervalk samen met een kleine windhond. Zijn taak was het om het haas dood te bijten zodra de valk deze te pakken had. Hiermee beschermde de hond de valk tegen de harde trappen die een haas kan uitdelen.

De Engelse benaming ‘longwings’ in het Nederlands ook wel spits of langevleugeligen genoemd is eigenlijk beter om de valken familie te omschrijven.

De methode om deze roofvogels te trainen is op de loer. Doordat hun vleugels lang en smal zijn en de staart ook niet erg breed is landen deze roofvogels niet bijster elegant op de valkeniershandschoen; ze remmen niet zo best af en klappen dan op de handschoen. In het hoofdstuk over de training wordt duidelijk welke functie de loer heeft.

  

Lage vlucht

Kort door de bocht zou ik zeggen; de rest. Alle roofvogels die laag bij de grond jagen maar ook zij die daar hun kadavers vinden zijn de lage vluchtvogels. De prooi is dan ook meestal haarwild zoals konijnen maar veerwild zoals merel, duif, fazant, eend en patrijs ed. staan op het menu . Ook hierin zit weer een punt van discussie. Een torenvalk is een valk dus hoge vlucht maar hij jaagt voornamelijk op muizen. Klopt helemaal, vandaar dat inzicht in de soorten roofvogels, de technieken die we gebruiken bij de training en de natuurlijke leefwijze van wilde roofvogels veel belangrijker is dan kennis van de algemene valkerij termen. 

Voor deze groep hebben de Engelsen twee verzamelnamen; broadwings en shortwings.

De broadwings zijn rond- of breedvleugeligen omdat zij een groot vleugeloppervlak hebben, een brede staart. Deze groep zijn de buizerds en arenden.

De shortwings, kortvleugeligen zijn de haviken. Ook zij hebben in vergelijking met de valken (longwings) brede vleugels en een lage staart.

Eigenlijk delen we beide in bij de lage vlucht maar soms worden ze dus ook apart vernoemd.

Doordat ze met het grote vleugeloppervlak, brede lange staart (en de broekveren gebruiken als parachute om af te remmen) bijzonder zacht op de valkeniershandschoen landen worden lage vlucht roofvogels altijd op de hand gevlogen en nooit op de loer.

Uilen zijn dus ook lage vlucht vogels omdat ze voldoen aan de criteria zoals we hebben besproken alleen wordt daar niet mee gejaagd binnen de valkerij wat niet inhoud dat dit onmogelijk is. Er zijn gevallen bekend dat dit soms toch gelukt is maar het vergt wel heel veel geduld.

 

Eigenschappen

Uilen zijn een mooi voorbeeld om mee te beginnen. Volgens de Griekse mythologie is de uil (steenuil) het symbool van de godin van de wijsheid, Athene. Heb je eenmaal met een uil getraind vraag ik me af of je het daar nog wel mee eens bent. Uilen kunnen het helemaal hebben begrepen en vliegen als een speer op de locatie waar je altijd met ze werkt. Ga 100 meter verderop met ze vliegen en de uil zal je aankijken alsof die je voor de eerste keer ziet. Totaal afgeleid door al de nieuwe dingen om hem heen en zelfs geen groot sappig stuk vlees kan hem verleiden naar de hand te komen. Zo zijn uilen en daar valt niets tegen te doen.

De uilen die graag worden gevlogen zijn de Kerkuil, Bosuil, Oehoe (Europees, Bengaal, Afrikaans en Canadees) en de bekendste sinds Harry Potter, de Sneeuwuil. Deze laatste is een erg agressieve uil en volgens ‘uileniers’ de moeilijkste om te vliegen.

De valken, haviken en arenden zijn veel sneller in hun respons. Klein stukje vlees op de loer of op de handschoen en ze kunnen bijna niet wachten om te gaan vliegen. Met hun scherpe zicht zien ze waar hun voordeel ligt en energiek als ze zijn reageren ze daarop. Door hun intelligentie weten ze al vrij snel wat hun trainer gaat doen en zullen zelfs proberen je te snel af te zijn of in het ergste geval, jou te trainen.

Buizerds echter zitten zo ongeveer tussen de uilen en de hiervoor beschreven groep. Ze nemen de tijd en doen waar ze zelf zin in hebben. Als je dat eenmaal door hebt kun je ze natuurlijk altijd te slim af zijn maar ze blijven een uitdaging om te vliegen. Thermiek is helemaal hun ding. Menig valkenier slaat het koud om het hart als de buizerd besluit eens lekker hoogte te zoeken.

Gieren, zeker als ze imprint zijn, lijken net honden; trouw aan de baas. De klauwen zijn voornamelijk om mee te lopen en daardoor niet zo krachtig als bij de jagende roofvogels. Gieren nemen de tijd tijdens de training en zijn dol op thermiek. Niet alle gieren komen gemakkelijk van de grond af de lucht in (koningsgier en condor) maar ze hebben een prachtig vliegbeeld. Dit geldt ook voor de aaseters zoals de ooievaars en maraboes mocht je hiermee willen gaan vliegen.

  

Valken

Voor de valkerij zijn met name de grotere valken soorten in trek. Hoewel er natuurlijk wel mee wordt gevlogen zijn de Torenvalken geen jachtvogels tenzij er muis op het menu staat. Om te jagen gebruiken valkeniers de volgende grote valken en hybrides. De reden om te kiezen voor een hybride kan zijn vermenging van eigenschappen maar ook het voorkomen van ziektes. Zo weten we dat met name de Geervalken nogal gevoelig zijn voor Aspergillose, een schimmel infectie op de luchtwegen.

Slechtvalk (Falco peregrines) – wereldwijd voorkomend

Het woord ‘slecht’ komt via het Duitse woord ‘schlicht’ wat, eenvoudig, betekend. Ook wel pelgrimsvalk genoemd vanwege zijn lange zwerftochten. De Slechtvalk onderscheidt zich van de andere valken door zijn wijze van jagen. Het is een stootvogel pur sang. Prooi achtervolgen zal de Slechtvalk minder snel doen dan bv. de Sakers. Zeker geen valk voor een beginnende valkenier. De Slechtvalk staat bekend om zijn moed en volharding tijdens de jacht. In Nederland de enige valk die voor de jacht is toegestaan (momentopname 2006).

Binnen de valkerij wordt er volop gediscussieerd over de verschillende slechtvalk ondersoorten en hun vermeende kwaliteiten. Daarom volgt hier een overzicht met de locatie waar ze voorkomen.

F. p. peregrinus: Europa, noord Rusland, Mediterraan gebied en de Kaukasus.

F. p. calidus: noord Rusland, noord Siberië, Lapland. Migreert tot Zuid Afrika en
                     Nieuw Guinea.

F. p. japonensis: Oost Siberië, Kurile Eilanden. Migreert naar Japan, Riu Kiu en Taiwan.

F. p. brookei:  Mediterraan gebied, van Spanje en Marokko tot aan de Kaukasus.

F. p. pelegrinoides: (barbarijse) Noord Afrika.

F. p. babylonicus: (red-naped shaheen) De centrale woestijn- en steppegebieden in
                                                                 Azië, van Irak en Iran tot Mongolië. Migreert
                                                                 naar India.

F. p. peregrinator: (black-naped shaheen) Van India en Sri Lanka tot China en
                                                                     Taiwan.

F. p. minor: Afrika ten zuiden van de Sahara.

F. p. paelei: (Peale's) Van Noord Kurile Eilanden, Aleutians tot Queen Charlotte
                                  Eilanden. Migreert naar Californië.

F. p. anatum: Noord Amerika. Migreert naar Centraal en Zuid Amerika.

F. p. cassini: Chili, van Atacama zuidelijk naar Tierra del Fuego en de Falkland
                    eilanden.

F. p. macropus: Australië, behalve het zuidwesten.

F. p. submelanogenys: Zuidwest Australië.

F. p. madens: Kaap Verdische Eilanden.

F. p. radama: Madagaskar en Comoranen.

F. p. fruitii : Vulkaan Eilanden.

F. p. ernesti: Indonesië, Filippijnen, Nieuw Guinee.

F. p. nesiotes: Nieuwe Hybriden, Loyalty Eilanden, Nieuw Caledonië.

Geervalk (Falco rusticolus) – Noordelijk halfrond subarctisch (Europa, Azië, Amerika)

Deze grootse onder de valken wordt ook giervalk genoemd. Vooral de IJslandse en Groenlandse (witte) Geervalk waren vroeger een statussymbool van de adel. Ze zijn nauw verwant aan de Saker- en Lannervalk. Zelfs zo verwant aan de Saker dat er in het wild hybride Geer x Sakers voorkomen en er zijn biologen die menen dat het misschien toch dezelfde soort is. De Groenvalk (candidans) is geheel wit en werd op IJsland ingevangen waar ze overwinteren. Net als de Slechtvalk zeker geen beginners vogel. Temperamentvolle maar bijzonder trouwe valken, die soms lange tijd hoog in de lucht verdwijnen verlangen, van de valkenier een sterk hart. Niet twijfelen en de plek verlaten maar blijven draaien met de loer soms wel een ½ tot 1 uur en plots als een raket komt de valk uit het niets te voorschijn alsof er niks aan de hand is.

 Sakervalk (Falco cherrug) – Centaal Azië

Woestijnvalk wordt, naast de Geervalk, graag gevlogen door de Arabieren. Nauw verwant met de Geer- en de Lannervalk. Wordt ook wel de continentale valk genoemd. Minder moeilijk te trainen dan de Slechtvalk maar wel bijzonder eigenzinnig. Dagenlang prachtig appèl om plots de valkenier totaal te negeren. Deze plotselinge ommezwaai kan mogelijk verband houden met hun migratie instinct. Krachtige vliegers die soms de neiging hebben te gaan zitten als er bomen in de buurt zijn. Zoals bij de meeste valken zijn de tarsel makkelijker. Schrik niet als je Sakervalk in het spitshuis of de volière op de bodem ligt. Als een van de weinige valken zul je ze dit vaak zien doen.

 Lannervalk (Falco biarmicus) – Afrika, Middellandse Zee, klein Azië

Een valk die weinig energie verbruikt in de vlucht. Deze woestijnvalk is, door een groter vleugel oppervlak (lagere vleugelbelasting), goed in staat te zeilen over lange afstanden om zo ook bodemprooien te verrassen. Ook wel de zachte valk genoemd (lana = wol). Valken met een fijn karakter die, voor de beginnende hoge vlucht valkenier, zeker is aan te raden. Door hun aangename temperament leren ze de valkenier de omgang met valken als geen andere valk dat kan. Wees wel voorzichtig met gewichtmanagement vooral bij de tarsels omdat dit lichte vogels zijn en fouten onherstelbaar letsel kunnen veroorzaken. Starters nemen daarom beter een wijf. Voor de jacht minder geschikt omdat ze voornamelijk de kleinere vogels jagen. Net als de Luggervalk een fijne vogel voor valkerij demonstraties.

 Luggervalk (Falco Jugger) - India

Temperamentvol als Prairievalken en verwant aan de Geervalk zijn ze, met wat extra geduld te trainen tot fijne vliegers en gewillige jagers hoewel de prooikeuze de wat kleinere vogels betreft. Ze staan bekend om hun goede loerbinding. Worden dan ook graag gebruikt bij valkerij demonstraties. Dit is naast de Lannervalk een kandidaat voor iemand die na de lage vlucht met de hoge vlucht wil starten. Ze zijn wat ‘harder’ dan de andere valken en verdragen wat beter de fouten die aspiranten kunnen, en ongetwijfeld, zullen maken.

Prairievalk (Falco mexicanus) – Noord Amerika, Mexico

Temperamentvolle valk alleen geschikt voor valkeniers met een eindeloos geduld. Een vorm van zelfkastijding zou ik deze doerakken noemen. Bijzonder moedige maar daardoor ook hardnekkige valk. Voor de jacht zeer geschikt en bijna vergelijkbaar met de slechtvalk. In Amerika jagen de valkeniers ermee op de zelfde prooien als met de slechtvalk.

 Hybride valken

Wat zijn hybride valken? Vergelijk het maar met de kruising tussen een paard en een ezel. Er ontstaat dan een muilezel die van beide ouders iets in zich heeft. Dit wordt ook met valken gedaan. Kruisingen zoals Slechtvalk x Geervalk maar ook naar volgende generaties waardoor je hybridevormen krijgt zoals Geer x Slecht x Lanner. Soms zijn ze onvruchtbaar maar niet altijd. Kweken kan alleen via inseminatie omdat ze elkaar paargedrag niet herkennen.

Afgezien van belachelijke experimenten (bv. Torenvalken met Slechtvalken) kunnen hybridisaties soms een fantastische roofvogels opleveren. Ook kunnen de risico’s voor soort specifieke aandoeningen soms worden verminderd hoewel ik daar mijn twijfel over heb. Een Gier x Sakervalk van ons liep een Aspergillose infectie op terwijl zijn buren, 2 Sakers, nergens last van hadden. We weten dat geervalken daar gevoelig voor zijn dus de helft Saker heeft hem daarvoor niet behoed.

Puriteinen zijn mordicus tegen hybrides maar als we eerlijk zijn moeten we toch toegeven dat de mens altijd met de natuur heeft geknoeid.

   

Haviken

In tegenstelling tot de valken zijn de voor de valkerij gangbare havikachtige soorten vrij beperkt. In Nederland is (momentopname 2006) voor de jacht alleen de inheemse havik toegestaan maar vele mate populairder is de Harris Hawk die ook wel Woestijnhavik wordt genoemd. De havik en de sperwer zijn eigenlijk alleen verantwoord te trainen en te vliegen door ervaren valkeniers. Omdat het moeilijke vogels zijn is men soms geneigd om met imprint haviken te werken in plaats van ‘wilde’ die door de ouders en niet door de mens zijn grootgebracht. Iedereen die hier ervaring mee heeft is weer een andere mening toegedaan.

Havik (Accipiter gentilis) – Noordelijk halfrond (Eurazië en US)

Een echte bosbewoner die zich zelden laat zien. Soms te horen maar zijn roep is makkelijk te verwarren met het roepen van een specht. Formaat te vergelijken met een buizerd maar herkenbaar aan de lange staart en aan de lange gele poten. Ogen oranje tot soms dieprode iris. Jonge haviken noemen we een rode havik. Jonge haviken hebben verticale strepen op de borst die na de eerste muit horizontaal worden. 

Er zijn verschillen in formaat en kleur afhankelijk van de plaats waar ze voorkomen. Hoe noordelijker, hoe groter het formaat van de vogel. Het zijn bijzonder nerveuze vogels, zeker af te raden voor beginners. Vroeger noemde men de havik de ‘keukenvogel’ omdat deze een breed palet aan wild jaagt en dit zeer succesvol doet.

Sperwer (Accipiter nisus) – Europa, Noordwest Afrika en noord Azië

Jaagt in bosgebieden en open terrein. Een echte cultuurvolger die ook succesvol jaagt in onze steden. Wordt door de oudere boeren en jagers ook wel duivenklamper genoemd. Eigenlijk een kleine uitvoering van de havik maar bijzonder snel. Het silhouet wordt vaak verward met de Torenvalk maar zie je de sperwer vliegen en jagen dan wordt het verschil direct duidelijk. Geen eenvoudige vogel voor de beginnende valkenier omdat ze vrij licht in gewicht zijn en er geen ruimte is voor fouten in het gewichtsmanagement. Zeker de tarsel zou niet door onervaren mensen gevlogen moeten worden.

Coopers Sperwer (Accipiter cooperii) – Noord Amerika en Canada

Groter dan de Europese Sperwer en iets kleiner dan de havik. Ze zijn makkelijker te trainen dan de sperwer en hebben een wat gelijkmatiger temperament.

  

Buizerds 

Beduidend minder nerveus dan de havik en soms wat traag van begrip zoals een uil zijn de buizerds toch zeker een plezier om mee te werken. Als je de ruimte hebt om ze te laten vliegen zullen ze je belonen met mooie hoge zweefvluchten. Voor de jacht zijn de echte buizerds niet bijzonder geschikt met uitzondering van de Woestijnhavik en de Roodstaartbuizerd.

Buizerd (Buteo Buteo) – Europa, Azië tot Japan

Prachtig om mee te vliegen en in Engeland vaak aangeraden als beginners vogel. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen maar er werkelijk mee jagen zit er niet in. Als een van de weinige roofvogels zie je deze vogel in verschillende kleurschakeringen van heel licht (bijna wit) tot donker bruin.

Koningsbuizerd (Buteo regalis) – Noord Amerika

Een vogel die veel geduld en kennis vergt omdat ze moeilijk zeeg te maken zijn. Het zijn temperamentvolle roofvogels, niet erg geschikt voor de jacht. De klauwen zijn zoals bij de meeste buizerds in verhouding tot het formaat van de vogel klein (bevederd tot de tenen en daarom ook wel ruigpoot genoemd) en voor een tarsel is een konijn vaak al een te grote prooi. Het best vlieg je met deze buizerd in een open landschap waar ze graag hoogte kiezen om te zweven.

Roodstaartbuizerd (Buteo jamaicensis) – Noord Amerika en Caribisch gebied

Een echte buizerd maar dan met grote klauwen. Door zijn formaat is deze roofvogel (de wijven) zeker in staat om grotere prooien zoals haas te jagen. Voor veerwild zijn ze meestal te traag in hun vlucht en missen de volharding zoals de havik die heeft. De prachtige rode staartveren van deze vogel worden door de Hopi indianen gebruikt voor hun religieuze dansen. In films wordt zijn schreeuw als achtergrond geluid vaak gebruikt om er een droog gebied mee te accenteren.

Woestijnhavik (buizerd) (Parabuteo unicinctus) – Noord en Zuid Amerika

De Harris Hawk en ook wel Woestijnbuizerd genoemd. Waar zullen we deze zeer gewaardeerde roofvogel onderbrengen. Naar mijn mening hoort hij, door zijn wijze van jagen, bij de havikachtige. Eigenlijk ligt hij tussen de buizerd en de havik. Een fijne vogel om mee te vliegen en jagen zonder de nerveuze inslag van de havik. Vaak miskent als jachtvogel omdat ze ook een goed appèl hebben als ze boven het vlieggewicht zitten en daardoor soms wat minder fel zijn tijdens de jacht. Harris Hawks kunnen goede maatjes worden met de valkenier en zijn hond; dan zijn het onverslaanbare jagers.

Dit zijn de intelligentste onder de roofvogels en als de wijven boven de 7 jaar komen zeer zeker in staat menig valkenier te trainen. Die extra (sociale) intelligentie hebben ze omdat het roofvogels zijn die in groepen jagen. Ze worden dan ook wel de ‘wolven van de lucht’ genoemd. Een fijne jachtmethode is er meerdere tegelijk los te laten waarbij de valkenier en zijn hond het wild losmaken hoewel dit niet erg eerlijk is voor de prooi. Tijdens roofvogeldemonstraties worden er ook vaak meerdere tegelijk gevlogen. 

 

Arenden 

Niet alleen een flink stuk zwaarder dan de valken, haviken en buizerds maar zeer zeker ook gevaarlijker. Honden en kleine kinderen zijn voor deze grote jagers ook prooi.  Geen vogels voor onervaren valkeniers. Hoofdzakelijk geschikt om mee te jagen en veel minder voor demonstraties tenzij ze worden gevlogen door specialisten. In Nederland en België zouden deze grote roofvogels eigenlijk niet moeten worden verhandeld zij het alleen aan ervaren valkeniers die voldoende ruimte hebben waar ze ermee kunnen vliegen.

Zeldzamer onder valkeniers en bij roofvogeldemonstraties zijn de kuif- en kroonarenden. Algemeen iets minder fors dan de Aquila’s zijn deze Spizaetus, Hieratus en Stephanoeatus. Je ziet deze prachtige roofvogels bijzonder weinig omdat er nagenoeg geen kweekresultaten zijn en er geen uit het wild ingevangen exemplaren meer mogen worden verhandeld.

Door het gewicht van de arenden moet je als valkenier zeker over voldoende spierkracht beschikken.   

Een van de karakter eigenschappen van Arenden is dat zij hun trainer zullen testen om te zien hoever ze kunnen gaan. Hierop niet voorbereid en zonder ervaring verlies je dit duel en ben je voor altijd ondergeschikt aan je arend. Wat dat betekent hoef ik, denk ik, niet uit te leggen. Arenden zijn vrij eenkennig en hebben vaak behoefte aan een 1 op 1 relatie.

Omdat ze laat seksueel volwassen worden (4 – 7 jaar oud) komt hun ware aard pas laat naar voren. Een arend kan dan plots veranderen van een watje in een totale horror vogel. 

Steppearend (Aquila rapax) – Afrika tot Centraal-Azië

Moeilijk te onderscheiden van de Savannearend.

Roofarend (Aquila rapax nipalensis) – Centraal-Azië, westelijk tot in Europa

Vreemd genoeg gekwalificeerd als een subsoort van de Steppearend. Ze zijn bijna dubbel zo groot (formaat Steenarend) als de Afrikaanse Steppearend en verschillen op heel veel punten. Onhandig en lui is de omschrijving van hen die er me werken.

Savannearend (Aquila rapax vindiana) – Azië

De kleinste van de groep ook wel de Aziatische Steppearend genoemd.

Steenarend (Aquila chrysaetos) – Noordelijk Halfrond zuidwaarts tot Noord Afrika en Mexico

Zo groot dat er vooral met de tarsels (mannelijke vogel) wordt gevlogen. Meest handelbare van de arenden.

Zeearend (Haliaëetus leucocephalus) – Noord Amerika

Algemeen voorkomend in Noord Amerika en Canada is deze viseter het symbool van de Verenigde Staten van Amerika. De eerste jaren zien ze eruit als de Europese Visarend maar komen ze eenmaal op kleur dan zijn ze goed te herkennen aan hun witte kop.

  

Uilen 

Tja, uilen. Volgens de Griekse mythologie het teken der wijsheid. Heb je eenmaal met uilen gewerkt zul je het daar waarschijnlijk niet helemaal mee eens zijn. Uilen worden, in tegenstelling tot de andere roofvogels, graag als imprint gevlogen. Pogingen met door de ouders grootgebrachte uilen leiden meestal tot teleurstelling en frustratie. Pas wel op met imprint uilen. Ze kunnen bijzonder eenkennig zijn en daardoor gevaarlijk voor huisgenoten en huisdieren. Jagen met uilen wordt weinig gedaan en dan alleen met de grotere soorten zoals de Oehoe.

Uilen behoren niet tot de valkerij maar in toenemende mate groeit hun populariteit bij roofvogelhouders.

Europese Oehoe (Bubo Bubo) - Noord Afrika, Europa, Azië, Midden Oosten

De grootste onder de uilen. Een wijf kan wel tot 3,5 kg wegen. De krachtige klauwen kunnen zelfs een vos doden die het nest bedreigt. Een stevige handschoen (arend handschoen) is zeker geen overbodige luxe. Er zijn een aantal ondersoorten die qua formaat iets kleiner zijn.

Sneeuwuil (Nyctea Scandiaca) – Noordelijk Halfrond boven de 60˚ breedtegraad

Bekend door Harry Potter is dit zeker geen uil voor kinderen. Het is een bijzonder agressieve vogel zelfs al zijn ze imprint. Verblijft graag op de grond (in de toendra zijn weinig bomen) en weet zich met takken vaak geen raad. Ook afdragen van deze uil is onplezierig omdat ze niet wennen aan bewegingen van de hand.

Bosuil (Strix Aluco) – Eurazië

Moeilijk te kweken in gevangenschap waardoor deze uil een hoop leed wordt bespaard waaronder de kerkuil te lijden heeft. Kan ‘s nachts behoorlijk te keer gaan. Zoals alle uilen alleen te vliegen als ze imprint zijn.

Kerkuil (Tyto Alba) – Wereldwijd behalve Arctische streken

Helaas, door goede kweekresultaten, een vogel die vaak in verkeerde handen terecht komt. Doordat ze niet duur zijn en een hoge ‘aaibaarheids factor’ hebben is de kerkuil gedegradeerd tot huisdier wat ze net zo min als alle andere roofvogels en uilen zijn.

Gieren

Gieren zijn de opruimers van de natuur, ze leven van kadavers. Het is hun taak om dode dieren op te ruimen. Door dit buitengewone talent om kadavers op te sporen en te verwerken voorkomen zij dat er zich ziekten verspreiden onder de mens, het vee en het wild. Er zijn twee hoofdsoor­ten gieren; de gieren van de Nieuwe Wereld (Amerika) en die van de Oude Wereld (Europa, Azië en Afrika). Allen zijn herkenbaar aan de kale, on­bevederde kop. Gieren hebben vaak witte poten. Ze sproeien urine over de poten en volgens het natuurkundig principe ‘voor verdamping is warmte nodig’ koelen de poten af net als de werking van de koelkast.

Zowel poten en snavel zijn stevig gebouwd om botten te knippen en door vlees en huid te kunnen scheuren. De kale kop is een nuttige aanpassing voor het eten van vlees uit kada­vers omdat hij daardoor zijn kop ver in het karkas kan ste­ken zonder dat zijn veren worden bevuild. Gieren zijn bijzonder schoon op zichzelf; ze zijn bereid om honderden kilometers te vliegen op zoek naar water waar zij kunnen baden om hun veren onberis­pelijk schoon te houden. In de vlucht zijn het imposante vogels die met hun lange, brede vleugels moeiteloos urenlang over hun gebied zweven.

Kalkoengier (Cathartes aura) - Tropisch Noord- en Zuid Amerika

Zo genoemd vanwege zijn rode kop die in verhouding met zijn lichaam vrij klein is. Ze zijn tijdens het zweven herken­baar aan hun V- vormige sil­houet. De kalkoengier is nauw verwant aan de geelkopgier. In tegenstelling tot de andere giersoorten blijven zij tijdens het zweven vrij laag boven de grond omdat ze door reuk hun voedsel vinden. Ze worden in Amerika zelfs ingezet om gaslekken op te sporen. Andere giersoorten, die al­leen speuren op zicht, maken hiervan gebruik om zo mee te eten van voedsel dat zij zelf over het hoofd hebben gezien.

Koningsgier (Sarcorhamphus papa) – Midden en Zuid Amerika

Met zijn krachtige snavel in staat om karkassen te openen die voor ander gieren gesloten blijven. Net als de kalkoengier in staat kadavers te ruiken maar minder goed. Wordt wel de ‘mooiste’ onder de gieren genoemd. Door zijn grote vleugels en lichaam komt deze gier maar moeilijk van de grond en moet het hebben van de thermiek om te vliegen. Is meestal als laatste aanwezig bij een karkas als de andere giersoorten al enige tijd aan het eten zijn.

Witruggier (Gyps africanus) – Afrika

Eet vooral het zachtere deel van de kadavers en daarom vaak afhankelijk van gieren met een sterkere snavel om het karkas te openen.

Ruppelgier (Gyps rueppelli) – Centraal en Noord-oost Afrika

Een dominante gier die als eerste eet van een karkas. Het is de hoogst vliegende vogel met als bewijs een ongeluk met een vliegtuig op 11 km hoogte